Wie bitte?

Pure kwelling zo nu en dan, die Duitse taal. Soms zijn de woorden identiek aan die in het Nederlands of op z’n minst makkelijk herleidbaar: Lampe – lamp, Telefon – telefoon, en dan weer totaal verschillende: krank – ziek, Urlaub – vakantie. De Duitse Frikadelle lijkt meer op een platgeslagen gehaktbal dan op onze nationale snack en een deftig gerecht is geen chique haute cuisine, maar een flinke schotel stevige kost. Nu is mijn Duitse woordenschat in meer dan tien jaar Duitsland best flink gegroeid, toch is het me gelukt nog zeer recentelijk twee gedenkwaardige taalflaters op mijn naam te krijgen.

De eerste voltrok zich op een lome zomerdag vorig jaar, half vier in de middag. Net thuisgekomen zag ik tot mijn schrik een behoorlijke straal water door de tuin van de buren gutsen. Boosdoener was een gat in hun tuinslang, zag ik bij nader onderzoek. Dit euvel moest verholpen worden, aan de slag dus! Ik repareerde het lek adequaat met bruine postband – mijn buurman zou mij dankbaar zijn. Trots meldde ik mij toen ik twee uur later zijn auto op hun oprit zag staan: ‘Da war ein Loch in Ihrer Gartenhose und ich habe das repariert’, even in de war met het Engelse woord voor tuinslang, gardenhose. Dat ik hem door mijn uitspraak had laten weten dat ik zijn tuinbroek had gerepareerd, drong pas tot me door toen ik veilig en wel thuis op de bank zat en me afvroeg waarom buurman Claus mij in eerste instantie licht verbijsterd had aangestaard.

Ietwat pijnlijker nog, in lichamelijke zin dan, was het enkel-incident. Mijn ouders waren op bezoek en mijn vader struikelde in het bos over een boomstronk. De schrammen en het bloedverlies maakten behoorlijke indruk. Toen wij de volle wachtkamer bij de dokter binnenstrompelden, vond ik het nodig de klacht snel kenbaar te maken. ‘Er hat sein Enkel wehgetan’, riep ik alvast ter voorinformatie vanuit de deurpost. Blunder, want hebben de Duitsers het over een Enkel, dan bedoelen ze hun kleinkind. Foei, stoute opa! Overigens: bedóelen de Duitsers een enkel, dan hebben ze ’t over een Knöchel.

 

Mijn vriendin Guusje blundert gezellig met mij mee. In de drogisterij van ons dorp kon ze haar lievelingszeep Dove maar niet vinden en deed navraag met de woorden ‘Wo ist der Doove?’, met haar Nederlandse accent klonk het helaas als ‘Waar is de domme?’ Het winkelmeisje liet zich niet kennen en vroeg achteloos welke collega ze precies bedoelde? Nein, ich meine die Seife! Ah, Sie meinten das Doooov.

 

Zelfs het hondenvocabulaire blijkt aanleiding tot miscommunicatie. Zo maakt onze hond Boef wel eens alleen een ommetje, en komt dan – meestal – ook weer gewoon in z’n uppie naar huis. De buurvrouw was er in den beginne niet helemaal gerust op dat Boef dan ook weer snel toegang tot ons huis had: ‘Und bellt er dan wenn er vor der Tür steht?’ Bellen? Aanbellen? Onze bel zit toch veel te hoog voor Boef? En, übrigens, ooit zo’n snuggere hond gezien die aanbelt als hij zonder baasje voor de voordeur staat?

Wist ik toen nog niet: als een Duitse hond belt, dan blaft ie!

 

Doof hoor, die Duitse Sprache. Echt geen makkie – gar nicht einfach.